OOG

Blik in de wereld achter de kunst

Edward Vandaele | beeldhouwer
EDWARD VANDAELE / Mar 27th, 2023   

‘Het geloof in eigen dromen is het enige wapen tegen onverschilligheid.’


Net op het moment dat een strakke zeebries mijn auto binnenwaait, protesteert mijn telefoon. ‘Edward Vandaele hier’, klinkt het verontschuldigend. ‘Hadden wij vandaag afgesproken?’ De stiptheid volgens de formule [150 km (E314 + E40 + A10)]= 1.35h lijkt bijna een maat voor niets, tot de hemel opklaart: ‘Ah, je bent al in Bredene? Prima. Tot zo.’ Niet veel later bekent de beeldhouwer dat hij twijfelde om nog even het atelier in te duiken. Met een niet aflatende zelfdiscipline pookt Vandaele immers in de tijd, refererend aan zijn grote voorbeeld: de Oostenrijkse expressionist Egon Schiele en diens smeulende woorden: ‘Kunst kan niet modern zijn, kunst is eeuwig.’

‘Egon Schiele is mijn grote voorbeeld’, poneert Edward Vandaele. ‘Hoewel hij schilderde en ik beeldhouw, voel ik een grote verwantschap.’ In brons gegoten heet het zelfs Ode aan Egon Schiele, een intrigerend beeld dat Vandaele in 1993 maakte. Volgens de meester zelve een topstuk. Om niet te zeggen een meesterwerk. Nauwelijks een half jaar eerder maakte hij De Vlucht, toen nog uit klei en ‘eigenlijk het eerste werk dat afweek van het academische. Misschien wel een ijkpunt in mijn carrière’, aldus Vandaele. ‘Beelden ouder dan De Vlucht zal je niet vinden, die zijn vakkundig vernietigd.’

Kleiknijpen
Het leder van het salon kraakt even als Vandaele opveert. ‘Ik zal je eens een van mijn allereerste beeldjes laten zien’, klinkt het vertrouwelijk. Alsof hij me ook even de kans wil gunnen om rond te kijken. Zijn huis in loftstijl verraadt de hand van de meester. Aan een muur van de woonverdieping hangt een schilderij van Daan Thulliez, een minder bekende tijdgenoot van Permeke. Schuin daaronder staat een metalen sokkel met daarop een Paardje (Vandaele). Aan een andere muur zitten vijf keramiekfiguurtjes (Vandaele) me aan te staren. Als betrapt, sla ik de ogen neer langs twee etsen tot een bronssculptuur (Vandaele) op de buffetkast. ‘Kijk, dit is een kleiwerk van toen ik zestien was’, zegt Vandaele, terwijl hij een ruiterbeeldje voor me zet. ‘Het is een knijpfiguur en zoals je kan zien is dat nog vrij naïef, bijna vergelijkbaar met de Afrikaanse kunst.’ Opnieuw onderuitzakkend en met een zuchtje nostalgie blikt Vandaele terug op zijn kindertijd: ‘Eigenlijk ben ik altijd wel creatief bezig geweest, vooral met modelleren. Mijn ouders hadden een traiteurzaak hier op de gelijkvloerse verdieping, en tijdens de drukte van het hoogseizoen verhuisde ik steevast naar mijn grootouders. Zij hadden een boerderij waar vroeger een steenbakkerij gevestigd was. De bodem zat er dus vol met klei. Leuk speelgoed vond ik dat.’

Kruisbestuiving 
Vandaele praat opvallend bedachtzaam, alsof hij elk woord voorproeft. Het is dan ook met een afgemeten bitterheid dat hij de kloof tussen het naïeve knijpfiguurtje en de expressionistische bronsculpturen samenvat. ‘Volharding’, heet het. ‘Jarenlange volharding.’ ‘Toen ik als kind boetseerde, ontdekte ik een verlangen om met keramiek te gaan werken. Maar mijn vader zag daar weinig of geen toekomst in, dus mocht ik kunststudies wel vergeten. Let op, ik begreep zijn visie.’ Wat deed je dan om alsnog de lokroep te beantwoorden? ‘Na mijn humaniora volgde eigenlijk een lange zoektocht. Waarschijnlijk naar een manier om tegemoet te komen aan mijn creatieve onrust. Na het overlijden van mijn ouders ben ik een horecazaak begonnen en, hoewel dat niet mijn roeping was, stelde dat me in staat om op twee maanden tijd een jaarinkomen te vergaren. Geld waarmee ik vrijheid kon kopen. Uiteindelijk heb ik me ingeschreven voor Keramiek in deeltijds kunstonderwijs, ook al stond die opleiding nog in haar kinderschoenen. Ik was er trouwens de enige leerling. Mijn bedoeling was om een kunstambacht uit te oefenen, niet om beeldhouwer te worden. Doordat de leraar me uitnodigde om eens naar het beeldhouwatelier te komen, ontdekte ik die discipline. Voor hem was het immers een stuk makkelijker alle leerlingen in één klas te hebben en voor mij zou het een interessante kruisbestuiving zijn. Wel, ik ben er tien jaar gebleven. De normale opleiding duurt drie jaar, maar als je rekent dat je slechts twaalf uur les per week krijgt, kan je niet verwachten dat je dan alles van beeldhouwen kent. Ik wilde me echt bekwamen in het vak en dat heeft me in staat gesteld om alle technieken en materialen uit te testen: steen kappen, assemblages maken, figuratief naar model werken... Het is vooral een zoektocht, tot je op iets stuit waarvan je zegt: dit is het! Mijn leraar Pol Perneel, die ik trouwens erg dankbaar ben, had het nogal voor het conceptuele en stuurde zijn leerlingen die richting uit. Dat is een normale reflex, denk ik, al ben ik bewust de richting van het figuratieve uitgegaan. Ik ben geen vernieuwer, ook geen avant-gardist, wel een klassiek beeldhouwer.’ 

Bestaansreden 
Heb je het gevoel dat je pas met De Vlucht een eigen beeldtaal te pakken had?
‘Zo zou je het kunnen stellen, ja. De klei maakte plaats voor was, een materiaal met totaal andere eigenschappen en een iets
agressievere structuur. Willy Bosschem, de directeur, wist me toen te overtuigen om deel te nemen aan de beeldhouwwedstrijd van het Vermeylenfonds en hoewel ik daar erg weigerachtig tegenover stond heb ik toch twee beelden ingestuurd: De Vlucht en –een werk dat ik hoger inschatte– Ode aan Egon Schiele.’ 

Je won overtuigend...
‘Ik won, maar ik heb daar nooit hoog mee opgelopen. Het was vooral een deugddoende vorm van erkenning, al voel ik me erg
ongemakkelijk bij dergelijke competities. Wie is wie om zomaar een oordeel te vellen over iemands werk en te beslissen dat het
ene werk betere kunst is dan het andere? Dat is een hachelijke en vrij pretentieuze kwestie. Voor mij persoonlijk is er slechts
één parameter die zal bepalen of een werk kunst is of niet en dat is de Tijd.’

Toch een gevaarlijke premisse, want wat bijvoorbeeld met enkele vlot verteerbare topwerken uit de Hedendaagse Kunst, en wat met kunstconservatie? Dat kan je toch niet herleiden tot een laakbare bezigheid?
‘Kijk, daarom is het ook mijn persoonlijke visie op kunst. Ik heb begrip voor mensen die beweren dat kunst vergankelijk mag zijn, maar dat neemt niet weg dat ik het daar moeilijk mee heb. Zelf zie ik mijn werk als een soort erfenis... Een erfenis voor het mensdom. Werken in brons is immers hard labeur, dat is bijna metallurgie, maar ik weet dat mijn bronsculpturen altijd zullen blijven bestaan. Voor mij is het belangrijk dat ik iets kan nalaten dat eeuwigheidswaarde heeft. (denkt na) Het geeft reden aan mijn bestaan.’



Erfenis, erfstuk
Vandaele veert opnieuw recht en plukt een bronsfiguurtje van de televisiekast (Vandaele). Het blijkt een erfstuk
van zijn grootmoeder. Terwijl het beeldje in zijn handen ronddraait, duidt hij op de sterkte ervan. ‘Mocht het in een galerij staan, ik zou het niet kopen. Al taxeer ik het wel als kunst.’ De emotionele waarde van het bronsfiguurtje doet hem ook over de waarde van
zijn eigen werk praten. ‘Dit ene beeldje zou ik voor geen geld verkopen, terwijl ik met het verkopen van mijn eigen werk totaal geen moeite heb. Waarom niet? Omdat het mijn werk blijft, ongeacht waar het staat.’ Nog voor we de balans tussen het artistieke en het commerciële aspect van de beroepskunstenaar kunnen opmaken, neemt Vandaele even gas terug: ‘Ik ga nooit van mezelf zeggen dat ik kunstenaar ben, dat is me te hoogmoedig. Ik ben een beeldhouwer. Je hebt tegenwoordig academiestudenten die al
tentoonstellingen geven tijdens hun studies. Daarmee beschouwen ze zichzelf al als kunstenaar nog voor ze gediplomeerd zijn...’

Wanneer ben je zelf voor het eerst met je werk naar buiten getreden?
‘Mijn eerste tentoonstelling organiseerde ik in 1999. Meteen ook de start van mijn professionele carrière. In totaal toonde ik 25 bronssculpturen, het resultaat van 6 jaar werk. Bij brons mag je trouwens rekenen op een investering van 1 000 euro per beeld, dus reken maar na. Nee, zodra je besluit om er je professie van te maken, verandert er veel. Alleen volharding in je passie
kan leiden tot eventueel slagen.’

Dat is wel erg veel twijfel voor één zin?
‘Ach, het geloof in eigen dromen, is het beste wapen tegen de onverschilligheid. Ik weet dat het zwaarbeladen klinkt, maar ik streef er naar om beeldhouwer te kunnen zijn. Of ik daar succesvol in ben of niet, rijk van word of niet... Beeldhouwen is voor mij de enige manier om gelukkig te zijn. Daarom moet ik in mijn projecten investeren, of –via de verkoop– andere mensen in mij laten investeren. Zonder mijn klanten kan ik mijn dromen niet verwezenlijken. Iedereen die een beeld van mij koopt, is aandeelhouder in mijn carrière. Ik voel me dan ook verplicht om die mensen niet teleur te stellen. Dat verklaart niet alleen mijn drang om verder te doen, maar vooral mijn drang om beter te doen.’

Zit er dan nog zoveel artistieke progressie in je werk dat je elke keer de lat hoger kan en wil leggen?
‘Het is niet dat mijn nieuwste werk automatisch rijper is dan de beelden uit mijn beginjaren. Dit is immers niet het vak waarin ouder worden gelijk staat aan beter worden, was het maar. Gemakshalve zou ik durven stellen dat elke kunstenaar drie meesterwerken kan maken. Welnu, ik heb er al één gemaakt: Ode aan Egon Schiele. Omdat dit beeld voor mij zo belangrijk in de tijd is geweest. Het was niet alleen bepalend voor mijn manier van werken, het werd ook mijn stijl...’

Vader ongelijk geven
Werken met brons is hard labeur, metallurgie zoals je zelf opmerkte. Wil dat zeggen dat fysieke beperkingen de creatie in de weg kunnen staan? ‘Absoluut. Enerzijds ben ik ervan overtuigd dat je beeldhouwer bent voor het leven. Anderzijds moet je er toch rekening mee houden dar er ooit een dag komt dat je het niet meer aankan. Octave Landuyt bewijst op zijn 83ste nog steeds dat hij het kan, Rik Poot is nu 81 en evenmin op pensioen. Maar dat is niet iedereen gegeven. Misschien is het daarom dat ik nu –op mijn 44ste– de drang voel om monumentaler te maken. Ik ben immers in de fleur van mijn leven nu en je kan jezelf toch geen
beeldhouwer noemen als je nog nooit een groot werk hebt gemaakt. Vergeet ook niet dat beeldhouwen in brons erg tijdrovend is. Een nieuw beeld maken, kost me minstens een maand en dan moeten er nog mallen gemaakt worden voor het naar een bronsgieterij kan. Bovendien komt een sculptuur niet afgewerkt uit de bronsgieterij. Ik moet de stukken nog assembleren, ciseleren, patineren... Dat kost me tijd, tijd die ik niet kan besteden aan nieuw werk. Dit is niet te vergelijken met het schilderen op een doek. Mensen durven dat weleens te vergeten.’ Om zijn woorden kracht bij te zetten, troont Vandaele me mee naar zijn atelier op de tweede verdieping. Het noorderlicht valt via een dakkoepel neer op de littekens van de betonnen vloer. Druk gesticulerend toont de kunstenaar mallen, recipiënten en half gesmolten was. ‘Mijn hobby is een passie geworden, de passie werd mijn bijberoep en nu –na zoveel jaren– kan ik er eindelijk van leven’, zegt Vandaele met enige trots. Met in de hoek een grote volière vol broedend getjilp, enkele vogels die vrij rondvliegen, kwartels die voor de voeten lopen, merk ik dat dit de gastvrijheid overstijgt. Vandaele gunt me immers een blik in wat ik als een schrijn van afgemeten vrijheid ervaar, een oord waarin hij de natuur sublimeert tot ambigue sculpturen, de uterus voor zijn kneedbare oeuvre dat ooit in brons met de Tijd zal duelleren.

Wanneer hij samen met zijn hond Boatsman nog even mee naar mijn auto wandelt, stuurt de hond aan op een wandeling langs de duinen. Ik maak geen bezwaar, omdat ik de zee nog weleens wil zien. ‘Mijn vader zei altijd: Kunstenaars... daar plaveien ze de straten mee’, probeert Vandaele tegen de wind in. ‘Ik denk dat ik nog dagelijks een gevecht lever om mijn vader ongelijk te geven.’
Daarna regent het 150 km lang.

interview magazine Beeldende Kunst | tekst: Christophe de Schauvre | foto: Stefaan van Hul

OP DE HOOGTE BLIJVEN?